Erik en Bram: wat niet mag zijn (12)

Bram en Lin maken zich op om naar bed te gaan. Ze hebben er een heerlijke dag op zitten. Na de lunch zijn ze nog een tijd over het eiland gaan fietsen en ze hebben de avond afgesloten met een goed etentje in het dorp. Wel wat prijzig, maar zo nu en dan moet je jezelf verwennen.

Zowel Bram als Erik had het gevoel dat er inderdaad iets te vieren viel. Ze hadden elkaar niet alleen teruggevonden, maar vandaag voor het eerst ook gezoend. Een zoen met zoveel gevoel dat hij bijna vanzelf om een herhaling vroeg. Maar beiden realiseerden zich dat dit niet zo eenvoudig zou zijn. Bram probeert zich ermee te verzoenen. Ook al zou het bij deze ene zoen blijven, die kon niemand hem meer afnemen.

Als ze naast elkaar in bed liggen, fluistert Lin: ‘Vertel me eens hoe was het zoenen met Erik?” Vertel Flupke. Het was vast anders dan met mij. Wij zoenen niet echt.’

Bram kijkt haar wat verward aan. ‘Hoezo?’

Lin vertelt dat ze tijdens de lunch heus wel heeft gezien hoe hij en Erik elkaar zo nu en dan gelukzalig aankeken. Anders dan normaal. ‘Ik vraag me alleen af of het Mieke ook is opgevallen.’ Ze geeft Bram een zoen op zijn wang. ‘Maar ik denk het niet. Haar hoofd zit veel te vol met Erik.

Plotseling begint Bram te vertellen. Over hoe geweldig het was en dat het zijn eerste echte zoen was. Erik had het initiatief genomen en nog steeds ziet hij voor zich hoe Erik zijn gezicht naar hem toe bracht.

‘Hij houdt van me, Lin. Hij heeft het gezegd, maar ik voelde het ook. Toen hij me zoende, leek mijn hele lijf in brand te staan. De zoen leek een eeuwigheid te duren en tegelijkertijd was hij veel te kort. Ik zou Erik wel uren willen zoenen en vasthouden. Vind jij hem ook niet geweldig?’

‘Wat zijn lijf betreft is hij de jackpot,’ zegt Lin. ‘Maar verder moet ik hem echt nog leren kennen. Ik moet nog met hem zoenen.’

Bram kijkt haar verontwaardigd aan.

‘Grapje, Flupke.’

‘Maar hij moet wel geweldig zijn. Mieke had het vanmorgen voortdurend over hem. Iedere keer als we langs een rek met herenkleding kwamen, bleef ze kijken en vroeg ze me hoe ik dacht dat het Erik zou staan.’

Lin geeft Bram opnieuw een zoen en nestelt zich lepeltje-lepeltje tegen hem aan. ‘Ik vind Erik trouwens ook erg leuk. Hij is in ieder geval erg attent. En Mieke lijkt me geweldig. Ze is zorgzaam en volgens mij totaal verblind door haar verliefdheid op hem.’

Onbedoeld komt die laatste opmerking hard bij Bram aan. Mieke zal Erik nooit laten gaan. Zeker niet voor een liefde die niet mag bestaan.

Lin merkt dat Bram zachtjes begint te huilen. Ze streelt hem door zijn haar en zegt niets. Zelf zou ze Bram zo graag helemaal voor zichzelf willen hebben. Maar nog liever wil ze dat hij gelukkig wordt. Ze wil hem daarbij helpen, ook al begint ze steeds beter te beseffen hoeveel pijn dat haarzelf nog kan gaan doen.

Lin drukt zich wat steviger tegen Brams lijf aan en slaat een arm om zijn middel. De slaap wil bij haar nog niet komen. Bram daarentegen is muisstil. Hij blijkt binnen de kortste keren als een blok in slaap te zijn gevallen.

Lin glimlacht even.

Zou hij nu vredig van Erik dromen?

******************

Als de bewaker hem die middag opnieuw komt ophalen, worden Alex' handen en voeten geboeid, waardoor hij maar moeilijk kan lopen. Ze brengen hem naar een busje waarin al twee andere gevangenen zitten te wachten. Ze kijken nors voor zich uit en Alex vraagt zich af wat ze op hun kerfstok hebben. Als ze al iets op hun kerfstok hebben. Je kunt immers ook in de gevangenis belanden omdat je iets te duidelijk hebt laten merken dat je het niet eens bent met de regering.

De rit naar de gevangenis duurt ongeveer een halfuur. Na aankomst worden de drie mannen naar een ruimte gebracht waar ze zich volledig moeten uitkleden. Alex ziet dat een van de twee, de meest timide, duidelijke sporen van mishandeling op zijn lichaam draagt. De andere man is zwaar getatoeëerd en ondergaat alles alsof hij het al vaker heeft meegemaakt. Ze worden onderzocht en moeten daarna de standaard gevangeniskleding aantrekken.

Alex krijgt een set lakens en een handdoek in zijn handen gedrukt. Samen met de paar persoonlijke spullen die hij mocht houden, draagt hij ze voor zich uit terwijl een bewaker hem naar zijn cel brengt. Zijn nieuwe woning. Tijdelijk, hoopt hij. Maar dan denkt hij aan de geruchten over gevangenen die soms wel een jaar op hun proces moeten wachten.
Zijn celgenoot is er nog niet. Die is aan het werk. Alex maakt zijn bed op en bergt zijn spullen op in het kastje dat hem is toegewezen. Veel is het niet: wat toiletspullen, een boek en een paar foto's van zijn ouders, broer en zus. De celdeur staat open, maar hij heeft weinig behoefte om in de gemeenschappelijke ruimte te gaan kijken. Hij laat zich op zijn bed vallen en sluit zijn ogen.

Alex is nog maar net ingedommeld als hij wakker schrikt van het lawaai van de gevangenen die na hun werk terugkeren naar de afdeling. Vanuit zijn cel kijkt hij naar de mannen die voorbijlopen. In zijn ogen lijken het bijna allemaal grote, stevig gebouwde kerels. Hij ziet gespierde armen, tatoeages en gezichten die hem weinig vertrouwen inboezemen. Misschien is het vooral zijn angst waardoor hij hen zo ziet, maar hij heeft het gevoel in een jungle terecht te zijn gekomen waar het recht van de sterkste geldt. Vergeleken met deze mannen voelt hij zich nog een kind.
Hij hoopt maar dat hij zijn nieuwe celgenoot kan vertrouwen. Dat de afspraak die zijn advocaat heeft gemaakt hem inderdaad enige veiligheid zal bieden.

Plotseling stapt een grote, zware man de cel binnen. Hij blijft voor Alex staan en bekijkt hem van top tot teen.
‘Jij bent Alex?’
Alex knikt.
‘Ik ben Sam. Je advocaat heeft me verteld dat ik een beetje op je moet letten.’

Heel even voelt Alex iets van opluchting.
‘Dank u.’

Sam begint te lachen.
‘Dank u nog wel.’ Hij kijkt Alex opnieuw aan. ‘Je ziet er inderdaad niet bepaald uit alsof je jezelf hier kunt redden. Volgens mij maken ze binnen een week gehakt van je.’
De opluchting is onmiddellijk verdwenen.
‘Maar maak je geen zorgen, flikkertje. Ik let op je. Daar ben ik voor betaald.’ Sam komt iets dichterbij. ‘Alleen komt er, nu ik je zo zie, nog één voorwaarde bij.’
Alex kijkt hem niet-begrijpend aan.
‘Je bent mijn sletje.’
Alex voelt zijn maag samenkrampen.
‘Wat bedoel je?’
‘Precies wat ik zeg. Jij doet wat ik van je vraag en ik zorg ervoor dat niemand je met een vinger aanraakt.’
Sam ziet de paniek in Alex' ogen en grijnst.
‘Je hoeft natuurlijk niets. Van mij mag je het ook alleen proberen. Maar ik geef je één advies: flikkers zijn hier niet bepaald geliefd. Niet bij de gevangenen en trouwens ook niet bij de bewakers. Die kijken gemakkelijk de andere kant op als er eentje in elkaar wordt geslagen.’
Alex weet niet wat hij moet zeggen.
Sam wacht zijn antwoord niet af. Hij pakt Alex bij zijn arm, trekt hem overeind en duwt hem de cel uit. Een paar mannen in de gemeenschappelijke ruimte kijken hun kant op
‘Iedereen even luisteren!’ brult Sam.

Het wordt stiller.
Sam legt zijn zware hand op Alex' schouder.
‘Die rooie hoort bij mij. Handen thuis.’

Niemand stelt een vraag. Een paar mannen kijken naar Alex, iemand grijnst en een ander wendt zijn blik alweer af. Ze lijken allemaal precies te begrijpen wat Sam bedoelt.
Daarna duwt Sam hem terug de cel in.
Alex kijkt hem aan. ‘Maar... wat verwacht je dan van me?’
Sam trekt de celdeur achter zich dicht en kijkt hem even zwijgend aan.
‘Dat merk je vanavond wel.’

Volgende
Volgende

Erik en Bram: wat niet mag zijn (11)