Dansen op de Rand - Proloog (1/3)

De goden spreken

Ze zitten hoog.

Hoger dan de stad. Hoger dan wetten. Hoger dan schuld.

Niet op wolken — daar geloven ze al eeuwen niet meer in — maar op een betonnen dak, aan de rafelrand van de skyline. Bovenop een verlaten telecomtoren, waar alleen de wind nog waait en vogels zich vergissen in de metalen vormen. De lucht rondom hen siddert. Tijd bestaat hier niet. Alleen uitzicht.

Aphrodite heeft zich genesteld op een oude antenne, haar benen losjes gekruist, als een ballerina die vergeten is waar het applaus gebleven is. Haar glimlach verraadt niets, maar weet alles.

Ares leunt wat verderop tegen een roestige paraboolschotel. Zijn armen zijn over elkaar geslagen, zijn blik scherp als oorlog. Hij lijkt gemaakt uit metaal en herinnering.

Hermes ligt achterover op een half vergaan reclamebord waarop ooit VOORUITGANG stond — nu half weggeblazen door weer en ironie.

Het is Ares die de stilte doorbreekt.

Hij duwt ruw tegen Aphrodite’s schouder, als een soldaat die zijn generaal terug wil in de strijd.

“Je hebt lang genoeg geslapen,” bromt hij.

“De wereld brandt, en jij droomt nog van olijfbomen.”

Aphrodite opent haar ogen langzaam, alsof ze niet zeker weet of het de moeite is. Ze geeuwt.

“Je bent er ook nog,” zegt ze. “Wat heb ik gemist terwijl ik lag te dommelen in de eeuwigheid?”

Ares somt het op alsof hij zijn eigen oorlogsdossier voorleest.

“Vijf oorlogen. Het uiteenvallen van de NAVO. Drie staatsgrepen. De herindeling van Europa.”

Hij pauzeert, schudt zijn hoofd.

“En een nieuw dieetboek van Poetin: Hongeren naar de overwinning.”

Aphrodite lacht droogjes.

“Leeft die man nog steeds? Hij speelt al jaren God  en nu lijkt hij zelfs op onsterfelijkheid te azen.”

Ze kijkt naar Hermes.

“En jij? Nog geprobeerd de stervelingen te bereiken met een goed getimede ingeving?”

Hermes haalt zijn schouders op zonder zijn zonnebril af te zetten.

“Ze luisteren niet meer naar wijze raad,” mompelt hij.

“Zelfs niet als ik fluister via hun advertenties. Zelfs niet als ik schreeuw in hun algoritmes.”

Hij grijnst plotseling.

“Ze willen liever gelijk dan geluk. Desinformatie is trendy — en ik begin er goed in te worden.”

Ares snuift.

“Ze trekken grenzen. Altijd maar lijnen. Alsof je een wereld kunt redden door hem kleiner te maken.”

“Ze hebben ons niet afgeschaft,” zegt Aphrodite zacht.

“Ze zijn ons gewoon vergeten. Te druk met hun schermen. Hun wetten. Hun filters.”

Ze kijkt naar beneden, naar de stad.

En juist daar,

in die vergetelheid,

begint het verhaal van twee jongens.

Vorige
Vorige

Hoe haat een dorp binnenkomt