Wanneer fictie ongemakkelijk dichtbij komt

Toen ik Machteloos schreef, was het nooit mijn bedoeling een voorspelling te doen. Ik wilde een verhaal vertellen. Een verhaal over wat er kan gebeuren wanneer angst, polarisatie en populisme langzaam terrein winnen. Een verhaal over een samenleving waarin minderheden steeds vaker als probleem worden gezien en waarin vrijheid stukje bij beetje wordt ingeperkt.

Fictie dus.

Tenminste, dat hoopte ik.

Afgelopen week las ik het bericht over de man die na de Amersfoort Pride zwaar mishandeld werd en zwaargewond werd achtergelaten. Op het moment van schrijven is nog niet duidelijk wat precies het motief van de daders was. Dat is aan politie en justitie om vast te stellen. Feiten zijn belangrijk. Journalist Jules uit Machteloos zou dat als eerste benadrukken.

Maar ik ben geen journalist. Ik ben schrijver.

En schrijvers kijken soms op een andere manier naar de werkelijkheid.

Een paar weken geleden bezocht ik Theresienstadt. Niet voor het eerst bezocht ik een plaats waar de gevolgen zichtbaar zijn van een samenleving die stap voor stap groepen mensen begon uit te sluiten. Natuurlijk zijn de gebeurtenissen van toen niet te vergelijken met het Nederland van nu. Dat zou historisch onjuist zijn en geen recht doen aan de slachtoffers van het naziregime.

Maar de les van Theresienstadt zit niet alleen in het eindpunt.

De les zit juist in de weg ernaartoe.

Ontmenselijking begint zelden met geweld. Het begint met woorden. Met wij-zij denken. Met het aanwijzen van zondebokken. Met politici die mensen tegen elkaar uitspelen. Met groepen die steeds opnieuw moeten uitleggen waarom zij dezelfde rechten verdienen als ieder ander.

En vooral met mensen die denken dat het allemaal wel meevalt.

Juist daarom voel ik steeds sterker waarom ik boeken als Machteloos schrijf. Niet omdat ik denk dat Nederland morgen verandert in de samenleving die ik in dat boek beschrijf. Maar omdat verhalen kunnen laten zien waar bepaalde ontwikkelingen uiteindelijk toe zouden kunnen leiden als niemand nog tegengas geeft.

Om dezelfde reden schrijf ik momenteel ook het vervolgverhaal over Bram en Erik. Twee jongens die leven in een wereld waarin liefde tussen mannen verboden is geworden. Een wereld waarin gevoelens geregistreerd worden, waarin angst regeert en waarin vriendschap soms gevaarlijker is dan openlijke vijandschap.

Het is een fictieve wereld.

Maar iedere keer wanneer ik berichten lees over geweld tegen queer personen, over toenemende polarisatie of over groepen die opnieuw ter discussie worden gesteld, merk ik dat die fictie ongemakkelijk dichtbij voelt.

Misschien is dat ook precies de taak van literatuur.

Niet om de toekomst te voorspellen, maar om vragen te stellen.

Niet om gelijk te krijgen, maar om mensen aan het denken te zetten.

Niet om angst aan te jagen, maar om duidelijk te maken wat er op het spel staat wanneer vrijheid, gelijkwaardigheid en menselijke waardigheid niet langer vanzelfsprekend zijn.

Jules zou zeggen dat een journalist zich aan de feiten moet houden.

Een schrijver heeft een ander doel. Die probeert zichtbaar te maken wat nog niet gebeurd is, maar wel zou kunnen gebeuren. En soms is dat precies de reden waarom een verhaal verteld moet worden.

Volgende
Volgende

Spinoza, Machteloos en de prijs van vrijheid