Pride voorbij de feestboot

De vrijheid waarmee ik ben opgegroeid, lijkt tegenwoordig bijna vanzelfsprekend. In mijn studententijd was dat echter allerminst het geval. Ik was het met veel van mijn hetero- en homovrienden eens dat je openlijk zou moeten kunnen uitkomen voor je geaardheid. Alleen was ik op mijn negentiende geen held. Ik vreesde de gevolgen. Het in elkaar slaan van homo’s was nog altijd een hardnekkige macho-praktijk, die bovendien lang niet altijd op duidelijke afkeuring vanuit de samenleving kon rekenen. In de homowereld kende vrijwel iedereen wel iemand die dit was overkomen.

In de stad zat ik weliswaar niet echt in de kast, al liep ik ook niet met mijn geaardheid te koop. In mijn conservatieve dorp lag dat anders. Homo’s werden daar vaak als ziek en zondig beschouwd. Ik was niet de enige die daarom voorzichtig manoeuvreerde. De meeste homovrienden die ik in die tijd leerde kennen, deden precies hetzelfde. Velen van hen waren lid van het COC, maar die organisatie koos destijds vooral voor een diplomatieke en voorzichtige aanpak om tot ‘integratie’ te komen. In de praktijk leverde dat bitter weinig op. Het waren juist feministen en lesbische actiegroepen die zich nadrukkelijker lieten horen en minder terugschrokken voor confrontatie.

In de kranten las ik over Anita Bryant, die in de Verenigde Staten campagne voerde tegen homorechten en daarmee veel steun wist te mobiliseren. Binnen de veilige muren van het COC spraken homomannen hun afschuw daarover uit. Ik had het er vaak met vrienden over. Maar tegelijkertijd voelden we ons machteloos; alsof we daar weinig tegenover konden stellen. Het waren uiteindelijk feministen, georganiseerd door de Internationale Lesbische Alliantie, die op 25 juni 1977 in Amsterdam de straat op gingen om tegen Anita Bryant te demonstreren. Daar ontstond iets nieuws: openlijk uitkomen voor je geaardheid werd zichtbaar als een vorm van verzet. Het had nog niet de naam die het later zou krijgen, maar hier lag wel een begin van wat uiteindelijk de Nederlandse Pride-beweging zou worden.

Wat toen nog voorzichtig en kwetsbaar was, groeide in de jaren daarna uit tot een beweging die steeds zichtbaarder werd. Voor mij betekende het uiteindelijk dat ik geen verborgen leven heb hoeven leiden — en dat ik, jaren later, zelf meer dan eens aan de Pride heb deelgenomen.

Maar in 1977 leek het voor mij nog bijna ondenkbaar om probleemloos met een jongen samen te wonen. Dat ik ooit nog eens met een man zou kunnen trouwen, was fictie: een romantische fantasie. Op mijn negentiende voerde ik vooral mijn eigen innerlijke strijd. Ik verlangde naar iemand met wie ik mijn leven zou kunnen delen. Iemand met wie ik simpelweg ongestoord zou kunnen samenleven.

De Pride is tegenwoordig volledig ingeburgerd en ook ik bezoek haar graag. Oorspronkelijk was zij echter bedoeld als een strijd voor de vrijheid om te mogen zijn wie je bent. Vandaag de dag lijkt voor een groot deel van de queer-beweging vooral het feesten centraal te staan. Niet te veel nadenken, maar vooral genieten van de bootjes, de muziek, de vlaggen en de eindeloze feestjes. Daar is op zichzelf niets mis mee. Integendeel: ik vind het geweldig dat vooral jonge mensen tijdens deze dagen zo uitbundig en onbekommerd kunnen genieten van een vrijheid die voor mijn generatie nog allerminst vanzelfsprekend was.

Maar tegelijk dreigt er een kantelpunt.

In mijn novelle Dansen op de Rand beschreef ik een dystopisch Nederland in 2035, waarin de Griekse goden met verbazing neerkijken op een land dat ooit bekendstond om zijn tolerantie, maar waarin liefde opnieuw onderwerp van angst en politieke strijd is geworden. Toen ik het schreef, voelde het nog als een waarschuwing die misschien wat overdreven pessimistisch was.

In mijn recente roman Machteloos is die dreiging veel realistischer en actueler geworden. Daarin beschrijf ik hoe populisme, online haat en rechtsextremisme langzaam een klimaat creëren waarin minderheden opnieuw doelwit worden. Niet via één grote omwenteling, maar stap voor stap. Via taal. Via framing. Via politici die verdeeldheid normaliseren. Via sociale media waarop haat dagelijks wordt herhaald totdat zij bijna iets gewoons lijkt.

Wie denkt dat dit overdreven is, hoeft alleen maar naar de cijfers te kijken. Op middelbare scholen blijken grote groepen jongeren inmiddels openlijk antihomo-opvattingen te hebben. Dat zijn niet alleen puberale uitspraken waar we schouderophalend aan voorbij kunnen gaan. Het zijn de kiezers, opiniemakers en bestuurders van morgen. Het stemvee van de toekomst, als we er niets tegenover zetten.

En juist daarom is verder wegkijken geen optie meer.

Pride mag een feest zijn — en gelukkig maar — maar misschien moet zij opnieuw ook iets activistischer durven worden. Minder vrijblijvend. Minder alleen commercie en vrolijke marketing. De echte vraag is niet hoeveel regenboogvlaggen bedrijven één week per jaar ophangen, maar hoe we voorkomen dat een nieuwe generatie opnieuw opgroeit met wantrouwen, angst en vijandbeelden.

Vrijheid blijft kwetsbaar. Dat heb ik in mijn eigen leven gezien. Wat vandaag normaal lijkt, kan morgen weer ter discussie staan. Juist daarom zou Pride niet alleen een viering van verworven vrijheid moeten zijn, maar ook een moment van zelfonderzoek. Hoe keren we het tij? Hoe zorgen we ervoor dat jongeren niet opnieuw leren dat verschil iets bedreigends is? Hoe verdedigen we een open samenleving voordat intolerantie opnieuw de norm wordt?

Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste opdracht van deze tijd: niet alleen vieren dat we vrij zijn, maar vooral voorkomen dat die vrijheid opnieuw verloren gaat. Want wie alleen blijft staan, wordt uiteindelijk machteloos. Vrijheid begint bij mensen die zich met elkaar verbinden.

Vorige
Vorige

Moederschap en herinneringen in queer film Jimpa

Volgende
Volgende

Machteloos in de boekwinkel in Utrecht