Peru: drie weken wachten op het wauwgevoel

Drie weken Peru. Van de woestijn aan de kust naar bijna vijfduizend meter hoogte in de Andes, van de Stille Oceaan naar het Titicacameer en van koloniale steden naar de ruïnes van het Incarijk. Een prachtige reis, zou je denken.

Dat was het ook. Maar het duurde verrassend lang voordat ik het echte wauwgevoel kreeg.

We begonnen in Lima en reden vervolgens langs de kust naar Paracas. Op de Islas Ballestas zagen we dolfijnen, zeeleeuwen en ontelbare vogels. Daarna volgde Nazca. Over de beroemde lijnen vliegen kon niet, maar het alternatief met de uitkijktoren, de eeuwenoude irrigatiekanalen en de resten van Cahuachi bleek achteraf een excursie die ik niet had willen missen.

Via een lange rit door de kustwoestijn bereikten we Arequipa. Een mooie stad, zeker in het centrum, met de vulkaan El Misti op de achtergrond. Daarna trokken we steeds hoger de Andes in. Vicuña's, kale hoogvlaktes, de Colcavallei en condors die zich helaas niet erg bereidwillig toonden om voor ons een spectaculaire vliegshow te verzorgen. Het hoogste punt van de reis lag op 4.910 meter. Zelfs daar bleven Jan en ik overeind.

Het was allemaal mooi en interessant. Maar toch betrapte ik mezelf regelmatig op de gedachte: wanneer komt nu dat moment waarop ik denk: dit is geweldig?

Misschien kwam dat ook doordat Peru niet alleen zijn mooie kanten liet zien. Wat me vooral tegenviel was de enorme hoeveelheid afval langs wegen en zelfs in natuurgebieden. Plastic lijkt op sommige plaatsen gewoon onderdeel van het landschap te zijn geworden. Ook de steden zijn buiten hun historische centra lang niet altijd aantrekkelijk en het verkeer is vaak een complete chaos.

En toen kwam het Titicacameer.
We sliepen een nacht bij een familie op het eiland Amantaní. Een eenvoudige kamer, geen douche, nauwelijks stromend water en 's nachts een po als alternatief voor het toilet. Daar kwam nog een toeristisch programma omheen waarbij van bezoekers werd verwacht dat ze zich in traditionele kleding hesen en bij het afscheid deden alsof we na één nacht familie van elkaar waren geworden.
Jan en ik hebben voor de verkleedpartij vriendelijk bedankt.

Toch viel zelfs dit verwachte dieptepunt uiteindelijk mee. Onze gastvrouw en gastheer waren aardig, het eiland was prachtig en de wandeling naar ruim 4.100 meter hoogte leverde schitterende uitzichten op. Voor één nacht redden we ons bovendien prima zonder douche. Ook een dieptepunt kan dus meevallen.

Daarna kwam Cusco.
En daar gebeurde eindelijk iets.

Voor het eerst tijdens deze reis had ik het gevoel: ja, hiervoor ben ik naar Peru gekomen. De stad zelf, ondanks het krankzinnige verkeer, de resten van de Incamuren, Qorikancha en vooral Sacsayhuamán maakten grote indruk. Die enorme stenen, soms meer dan honderd ton zwaar, zo precies op elkaar passend dat er nauwelijks een kier tussen zit — daar kan ik uren naar kijken.

In de Heilige Vallei werd het alleen maar beter. De terrassen van Písaq, Moray — een soort Wageningen avant la lettre — de duizenden zoutpannen van Maras en onverwacht het vrijwel onbekende koninklijke landgoed Quispiguanca. Steeds duidelijker werd hoe ongelooflijk knap de bewoners van de Andes eeuwenlang gebruik hebben gemaakt van hoogteverschillen, water, klimaat en landschap.

En toen moest Machu Picchu nog komen.

Daar had ik ironisch genoeg mijn verwachtingen alweer voor naar beneden bijgesteld. Ik had vooral verhalen gehoord over enorme aantallen toeristen, wachtrijen en mensen die elkaar verdringen voor het perfecte Instagramplaatje. Toen we de avond ervoor in het toeristische gekkenhuis van Aguas Calientes aankwamen en het ook nog regende, werd mijn enthousiasme er niet groter op.

Om 4.15 uur ging de wekker. Een paar uur later stond ik boven Machu Picchu.

Wauw.

Eindelijk!

Niet alleen vanwege de beroemde aanblik van de ruïnes met de steile groene bergtoppen erachter. Foto's daarvan had ik al honderden keren gezien. Het was vooral de manier waarop de complete stad onderdeel lijkt te zijn van het landschap. Terrassen, muren en trappen volgen de vorm van de berg en lijken soms rechtstreeks uit de rotsen te groeien. Daarbij kwamen de waterwerken, de drainage, de tempels en opnieuw dat ongelooflijk precieze steenwerk.
En ondanks alle waarschuwingen over massatoerisme konden we er verrassend rustig rondlopen. Tweeënhalf uur kregen we ervoor, maar ik had er graag vijf uur van gemaakt.

Na drie weken Peru kwam het wauwgevoel dus alsnog. Laat, maar overtuigend.

Ben ik verliefd geworden op Peru? Nee. Daarvoor heb ik ook te veel gezien wat me minder aansprak: het afval, het verkeer, de armoede, sommige vormen van opgevoerd toerisme en steden waar ik absoluut niet zou willen wonen. Maar Peru heeft me wel verrast. Vooral de erfenis van de culturen die al eeuwen vóór de komst van de Spanjaarden in dit moeilijke landschap leefden. Hun kennis van landbouw, waterbeheer en bouwkunst vond ik uiteindelijk indrukwekkender dan ik vooraf had verwacht.

En de Heilige Vallei? Daar zou ik met Jan best kunnen wonen. Een heerlijk klimaat, prachtige natuur, voldoende water en alle ruimte om een schitterende tuin aan te leggen. Ware het niet dat ik dan het theater wel erg zou gaan missen.

Tenslotte geeft het na drie weken ook een heerlijk gevoel om weer thuis in je eigen bed te slapen.

Vorige
Vorige

Beyond the Ball: een vroeg queer icoon op het toneel

Volgende
Volgende

Met Erik en Bram terug naar de toekomst?